hoe stel ik een feeder zo in dat ik weinig last heb van kleinere vis
Feeder instellen tegen kleine vis
De beste manier om minder last te hebben van kleine vis bij het feedervissen is het gebruik van grotere haken, grover aas en zwaardere feeders die je aas snel op de bodem brengen. Kleine vis heeft simpelweg een te kleine bek voor grote brokken aas of dikke wormen, waardoor je aas vaker intact blijft totdat een grotere vis langskomt. Combineer dit met de juiste onderlijn-instellingen en je verbetert je kansen aanzienlijk.
1. Gebruik grotere haken
Kleine vis zoals blankvoorn, rietvoorn en kleine brasem kan geen grote haken pakken. Ga bij feedervisserij op grotere vis naar haakformaat 8 tot 4, of zelfs groter. Op een haak maat 4 kun je een grote worm of een flinke brok brood prikken die voor kleine vis onbereikbaar is. Vermijd fijne haakjes kleiner dan maat 14, want die nodigen kleinere vissen juist uit.
2. Kies grover en groter aas
Kleine vis is gek op kleine, zachte aas zoals kleine maggots of fijn gepeld aas. Door te switchen naar:
- Grote worm (dendrobena of regenworm): moeilijk te stelen voor kleine vis
- Grote stuk brood (broodvlok of boilievlok): te groot voor een kleine bek
- Pellets van 8 tot 14 mm: kleine vis krijgt dit niet in zijn bek
- Boilies van 12 tot 20 mm: vrijwel onmogelijk voor kleine vis
Kies bewust voor aas dat te groot is voor de doelgroep die je wilt vermijden.
3. Stel de onderlijn kort in
Een korte onderlijn van 10 tot 20 cm zorgt ervoor dat je aas minder vrij beweegt in het water. Kleine vis reageert sterk op bewegend aas. Met een korte, strakke onderlijn blijft het aas meer op de bodem liggen en is het minder zichtbaar voor rondzwemmende kleine vis in hogere waterlagen.
4. Gebruik een zwaardere feeder
Een zwaardere feeder van 60 tot 120 gram zinkt sneller en brengt het aas snel naar de bodem. Dit verkort de tijd dat je aas door de waterkolom zakt, wat precies de zone is waar kleine vis actief is. Kleine brasem en blankvoorn hangen vaak in de middelste waterlagen en pakken aas op weg naar de bodem weg.
5. Kies de juiste locatie
Visje die hinderlijk zijn hangen vaak in ondiep water of nabij oeverbegroeiing. Door te vissen op grotere diepte, minimaal 2 tot 3 meter, verminder je de kans op kleine vis. Werp je feeder dus verder uit naar dieper water.
6. Vul de feeder slim in
Gebruik in je feeder een mengsel dat niet te fijn is. Vermeng je groundbait met grotere partikels zoals gehakte worm, grote maggots (pinkies zijn te klein), of kleine pellets van 4 mm of groter. Een te fijn aaskloud trekt precies de kleinere vis aan die je wilt vermijden.
7. Aanpassen van de hoeveelheid voer
Overmatig voeren met fijn spul trekt massa's kleine vis aan. Begin met een opbouwfase van vijf tot tien worpen om de stek in te voeren, en gooi daarna rustig aan om grotere vis op de stek te houden zonder kleine vis te lokken.
Praktijkvoorbeeld
Stel je vist op een kanaal van 2,5 meter diep en je hebt constant last van kleine blankvoorn. Schakel over op een feeder van 80 gram, een onderlijn van 15 cm met een haak maat 6, en prik een hele dendrobena van 8 cm op je haak. Vul je feeder met een grove groundbait gemengd met gehakte worm en 6 mm pellets. Na een kwartier merk je al verschil: de kleine blauwvinnen haken minder aan en de kans op een grotere brasem of karper neemt toe.
Met deze combinatie van maatregelen zet je een effectieve drempel op voor kleinere vis zonder dat grotere doelsoorten worden afgeschrikt.